We hebben elkaar (niet) nodig

14 Dec 2017

Lieve liefste,

Voor het geval je vorig weekend niet uit je raam of op je sociale tijdlijn hebt gekeken zal ik je op de hoogte brengen van de weersituatie. Het sneeuwde. Niet een beetje, maar flink. Code rood en oranje werden aangegeven door het KNMI en de treinen ging rijden op een winters schema, oftewel gewoon niet. Heel Nederland moest binnen blijven, de wereld leek te vergaan. Toch lachten we vrolijk op de foto's waarmee we onze sociale vrienden mee inpeperden op het internet.

 

Op maandagavond was ik dapper genoeg om me er toch aan te wagen, de reis naar Utrecht. Als semi-optimist was ik positief over mijn kansen de reis met niet al te veel vertraging af te leggen. Het begin van mijn reis verliep zeer voorspoedig. Mijn vader zette mij af op station Gouda, waar ik maar tien minuutjes moest wachten op een sprinter die mij naar Woerden zou brengen. Die sprinter kwam maar vijf minuten te laat en voor we aankwamen op Woerden riep de conducteur om: 'Voor de reizigers richting Utrecht kunt u hier overstappen op de sprinter van 18:35 naar Tiel.' Het was half zeven, ik moest zou maar vijf minuutjes moeten wachten. Daar stond ik dan met een horde andere dappere reizigers. Langzaam kroop de tijd voorbij. 18:35, geen trein. 18:40, geen trein. 18:45, geen trein. 19:00, geen trein. Het bord op het perron verspringt, de volgende sprinter moest komen om 19:35. 19:35, geen trein. Om 19:45 kwam er eindelijk een sprinter aan, mensen veranderen hun staat van klapperen met hun tanden naar klappen met hun handen. Men snelt zich naar de conductrice. 'Waar gaat deze trein naartoe.'

'We weten niet waar we naartoe gaan met deze trein, maar ga maar lekker in de coupé wachten, want daar is het lekker warm. Als de machinist weet waar we naartoe gaan rijden, dan roept hij dat om.' De horde verplaatst zich van koud perron naar warme coupé. Ik moet staan, maar ben al lang blij dat mijn tenen nu de kans krijgen op te warmen tot een temperatuur boven de nul graden. Naast mij zit een (niet al te lelijke) jongen. 'Wil je zitten?' vraagt hij. Nee, dat hoefde niet, misschien later. Ik ging er inmiddels vanuit dat ik nog wel even op Woerden vast zou staan, of zitten dus. Om mij heen beginnen mensen met elkaar te praten. Telefoons zijn leeg en mensen zijn op zoek naar duidelijkheid, gezelligheid en een oplader. Er staan twee gepensioneerde mannen te praten met een student tegenover mij. Ze discussiëren over de groei van Utrecht, hoe dat de natuur vernield en wat daar wel en niet aan gedaan zou moeten worden. Ergens anders in de coupé vang ik een gesprek op waarin mensen hun klaagzang uiten over de NS, hoe slecht het is dat heel het openbaar vervoer in de soep loopt zodra de temperaturen onder nul zakken. Ik raak aan de praat met de jongen naast mij. Hij studeert en woont ook in Utrecht. Even later sluit een meisje zich aan bij ons gesprek, ook een student uit Utrecht. Eigenlijk best gezellig. Ze kwamen allebei van hun tinderdates, de een voor een vluggertje de ander 'met verlengsnoer' (wat dat dan ook mag zijn). Ze blijken in dezelfde straat te wonen. Ik val buiten het gesprek, maar dat vind ik niet erg. Bij mezelf denk ik: 'Nou, jullie hadden dus ook gewoon de straat kunnen oversteken voor jullie tinderbehoeftes, dat had je vijf uur reizen gescheeld.' Dat zeg ik niet, ik glimlach alleen maar. Het meisje heeft een flinke tas met boodschappen van haar tinderdate meegekregen, hij moest terugvliegen naar Australië en kon de spullen niet meenemen. In de tas zaten souvenirtjes, maar ook veel flessen (sterke) drank. Of ik ook een slokje wilde? Ach, waarom ook niet. Zo stond ik daar, met twee vreemden in een sprinter gestrand op station Woerden Spaanse kersenlikeur te drinken. Een ervaring apart, maar je hebt elkaar ineens best hard nodig met dat winterweer. Uiteindelijk konden we via Breukelen eindelijk naar Utrecht reizen, we zeiden gedag. 'Tot nooit meer ziens.'

 

Het is onhandig, die vertraging en de sneeuw, maar ik vind het mooi om te zien hoe we in Nederland ineens saamhorigheid vertonen. We zijn op elkaar aangewezen als onze tenen bevriezen en telefoons leeg raken. We zijn op elkaar aangewezen als we niet willen uitglijden bij elke stap die we zetten op straat. Wie zijn straatje schoonveegt voor een ander, kan zelf ook doorlopen. Vond ik het erg om vier uur onderweg te zijn, waar ik normaal veertig minuten over doe? Nee, eigenlijk niet. Want nu heb ik iets gezien waarvan ik niet wist dat ik het miste, saamhorigheid. Mensen in Nederland kunnen wel met elkaar praten, elkaar helpen, elkaar warm houden, elkaar eten (en drank) geven. We hebben alleen een sneeuwstorm nodig om dat naar boven te laten komen. Als we elkaar nodig hebben, kunnen we ineens sociaal zijn. Maar waarom niet vaker?

 

Ik hoop dat ik ooit nog eens op een zonnige zomerdag een leuk gesprek heb met de vreemden om mij heen. Voor nu neem ik genoegen met de hoop die ik heb gekregen van die (veel te lange) reis. Door alle kou heen leken de harten van de mensen een beetje te ontdooien, dat vond ik mooi om te zien en wilde ik even met jullie delen. Misschien dat ik wat vaker mijn telefoon wegleg als ik ga reizen met het ov en me niet verberg in de stiltecoupé met oortjes in en mijn tas op de stoel naast mij. Of ik dat waarmaak, weet ik niet. Misschien wordt het alvast mijn eerste voornemen voor het nieuwe jaar?

 

Liefs,

Nienk.

 

 

 

 

 

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

Please reload

4 Mar 2019

Please reload